Algemeen
KOOIKERHOND
Land van herkomst: Nederland
Korte geschiedenis van het ras
Het Kooikerhondje is een zeer oud ras in Nederland. Men kent het sinds het midden van de zestiende eeuw. De taak van het hondje was om mee te helpen in de eendenkooien. Hij verdween bijna geheel gedurende honderden jaren, maar dook in het begin van de jaren veertig op als een laatste restje van het ras. Door omvangrijke ideele inspanningen is men er echter in geslaag het ras te reconstrueren en pas in 1966 kreeg het zijn officiele rasbeschrijving. Het Kooikerhondje is een zeer aangename hond, mooi om te zien, plezierig en toegewijd. Buiten het land van herkomst komt het bijzonder weinig voor.
Rasbeschrijving
Het Kooikerhondje is een ietwat rechthoekig hondje met een rijke vacht.
Hoofd: tamelijk breed, met een licht gewelfde bovenschedel. Schedel en voorsnuit zijn even lang, licht aangeduide stop en voorhoofdsgroef. Goed gevulde voorsnuit, vooral onder de ogen, zwarte neusspiegel.
Ogen: amandelvormig, donkerbruin met een vriendelijke uitdrukking.
Oren: tamelijk klein en hoog aangezet, liggen dicht tegen de wangen. Ze moeten met lange bevedering bedekt zijn.
Gebit: schaargebit, tanggebit is toegestaan.
Hals: recht, gespierd.
Lichaam: rechte rug, ruime borstkas met goed ontwikkelde achterste ribben.
Ledematen: rechte voorbenen, waarvan de achterzijde van franje is voorzien. Goede hoeking van de achterbenen, lange haren op de achterzijde van de benen, zgn. broek.
Voeten: kort,goed gesloten.
Staart: moet tot aan de punt van de sprong reiken, rijkelijk behaard zijn en voorzien van een mooie witte pluim. Wordt ter hoogte van de ruglijn gedragen of iets omhooggebogen.
Gangwerk: vrij, vlot.
Vacht: heldere en licht oranjerode platen op een witte ondergrond, zwarte bevedering op de oren. Witte pluim aan de staart.
Schofthoogte: 35-40 cm.
|