AlgemeenOUD DUITSE HERDERSHOND
Land van herkomst: Duitsland
Korte geschiedenis van het ras
De langstokharige herdershond, die ook als Oudduitse herdershond of langharige herderhond bekend is, heeft altijd zijn liefhebbers gehad.
Het verschil tussen de langstokharige herdershond en de Duitse herderhond is de lengte van de vacht. Door zijn lange haren toont de Oudduitse herder machtiger dan de Duitse herder. Verder is zijn ruglijn niet schuin naar achteren zoals bij de Duitse herder. Zijn inzetmogelijkheden zijn, net als bij de Duitse herder breed: zowel als beschermhond, diensthond, reddingshond of blindengeleidehond of simpelweg als vriend van het gezin.
RasbeschrijvingAlgemeen voorkomen
De langstokharige herder is middelgroot, licht gestrekt, krachtig en goed gespierd, de botten droog en de totale structuur vast.
Belangrijke maten
De schofthoogte voor de reu is 60 cm tot 68 cm, voor een teefje 55 cm tot 63 cm.
Karakter
De langstokharige herder moet van nature evenwichtig, stabiel, zelfverzekerd, absoluut spontaan en (m.u.v. prikkelbare situaties) goedmoedig zijn, daarnaast opmerkzaam en leidend.
Hoofd
Het hoofd is wigvormig, overeenkomstig de lichaamsbouw (lengte ongeveer 40% van de schofthoogte), zonder log of overstrekt te zijn is de verschijning droog, tussen de oren middelmatig breed. Het voorhoofd is van voren en van opzij gezien een beetje gewelfd en zonder of met slechts lichte rimpels in het midden. De verhouding van de bovenschedel tot het aangezichtsdeel is 50 tot 50 %. De breedte en lengte van de bovenschedel zijn nagenoeg gelijk. De bovenschedel gaat, van boven bezien, zich van de oren naar de neusspiegel langzaam en gelijkmatig versmallend, met schuin verlopende, niet scherp afgegrensde stop over in de lange en droge voorsnuit die, eveneens van boven bezien, wigvormig toeloopt. Boven- en ondergebit zijn krachtig gevormd. De neusrug recht, een onderbreking van de lijn naar beneden of naar boven is niet gewenst. De lippen zijn strak, sluiten goed en zijn donker van kleur.
Neus
De neus moet zwart zijn.
Gebit
Het gebit moet krachtig, gezond en volledig zijn (42 stuks overeenkomstig het schema). De langstokharige herder heeft een schaargebit, d.w.z. de snijtanden moeten als een schaar over elkaar sluiten, waarbij de snijtanden van het bovengebit als een schaar die van het ondergebit oversluiten. Achter- voor- of rugbijten is een fout, net als grote tussenruimtes tussen de tanden (onvolledigheid). Fout is ook een rechte lijn van de snijtanden. De kaakbeenderen moeten krachtig ontwikkeld zijn, zodat de tanden diep in de kaaklijn zijn ingebed.
Ogen
De ogen zijn middelgroot, amandelvormig, liggen een beetje schuin en mogen niet uitpuilen. De kleur van de ogen is zo mogelijk donker. Lichte, stekende ogen zijn niet gewenst, omdat zij de uitdrukking van de hond beïnvloeden.
Oren
De langstokharige herdershond heeft staande oren van middelmatige grootte, die rechtop staan en beiden dezelfde kant op wijzen (mogen niet naar de zijkant ingetrokken zijn), ze zijn spits uitlopend en staan strak naar voren. Tiporen en hangoren zijn een mankement. In beweging of ruststand naar achteren aangelegd gedragen oren zijn geen fout.
Hals
De hals moet krachtig, goed gespierd en zonder losse keelhuid zijn. De hoek met de romp (horizontaal) is ongeveer 45%.
Lichaam
De bovenlijn verloopt van de halsaanzet over de goed ontwikkelde schoft en over de horizontale heel licht aflopende rug tot het licht aflopende kruis zonder zichtbare onderbreking. De rug is vast, krachtig en goed gespierd. De lendenen zijn breed, krachtig ontwikkeld en goed gespierd. Het kruis moet lang en licht aflopend (ca. 23° t.o.v. horizontaal) zijn en zonder onderbreking moet de bovenlijn in de staartaanzet overgaan.
Borst
De borst moet middelmatig breed zijn, de onderborst zo mogelijk lang en uitgesproken. De borstdiepte moet ongeveer 45 tot 48% van de borsthoogte zijn. De ribben moeten een matige welving aantonen, tonnenronde borst is net zo verkeerd als vlakke ribben.
Staart
De staart reikt minstens tot het spronggewricht, in ieder geval niet verder dan het midden van de achtervoet. Ze is aan de onderkant wollig behaard en wordt in flauwe bocht afhangend gedragen, waarbij ze bij opwinding of in beweging sterker hoog gedragen wordt, echter niet hoger dan de ruglijn. Operatieve correcties zijn verboden.
Ledematen
De voorste ledematen zijn van alle kanten bezien recht, het vooraanzicht absoluut parallel. Schouderblad en bovenarm zijn even lang en goed gespierd aan de romp bevestigd. De hoek tussen schouderblad en bovenarm is met 90° perfect, in de regel tot 110°. De ellebogen mogen nog in stilstand nog in beweging uitgedraaid zijn en evenmin ingedraaid zijn. De onderarmen zijn van alle kanten bezien recht, en staan t.o.v. elkaar absoluut parallel, droog en goed gespierd. De voorste middenvoet heeft een lengte van ongeveer 1/3 van de onderarm en heeft daarmee een hoek van ca. 20° tot 22°. Zowel een te scheef (meer dan 22°) als een te recht (minder 20°) staande middenvoorvoet beïnvloeden de gebruikswaarde, in het bijzonder de conditie.
Poten
De poten zijn rond, goed gesloten en gewelfd, de zolen stevig maar niet broos. De nagels zijn krachtig en donker van kleur.
Achterhand
De stand van de achterhand is licht naar achteren, waarbij de achterledematen van achter gezien parallel aan elkaar staan. Boven- en onderbeen zijn bij benadering even lang en vormen een hoek van ca. 120°, de botten zijn krachtig en goed gespierd. Het spronggewricht is krachtig gevormd en vast, de achtermiddenvoet staat loodrecht onder het spronggewricht.
Gangwerk
De langstokharige herderhond is een draver, de ledematen moeten in lengte en hoeken goed op elkaar afgestemd zijn. Iedere neiging tot over ontwikkeling van de achterhand vermindert de stabiliteit en de conditie en daarmee ook de gebruikswaarde. Bij de juiste verhoudingen in bouw en hoeken ontstaat een ruim omvattend, vlak over de grond functionerend gangwerk dat de indruk geeft alsof hij zich moeiteloos voortbeweegt. Bij een naar voren geheven kop en een licht opgeheven staart ontstaat bij een rustige en gelijkmatige draf, van de orenspitsen via de nek en rug tot aan het puntje van de staart een licht deinende en niet onderbroken ruglijn.
Huid
De huid ligt (los), zonder echter plooien te vormen.
Vacht
Kwaliteit van het haar: de juiste beharing is het lange stokhaar met onderwol. De dekharen zijn langer, niet altijd recht en niet strak tegen het lichaam liggend. Vooral in de oorschelp, achter de oren, op de rug van de onderarm en vaak ook in de lendenstreek, zijn de haren duidelijk langer. Bij de ellebogen tot de middenvoorvoet vormen zich vlaggen. De broek aan de kont is lang en dicht.
Kleuren
Zwart met roodbruin, bruin, gele tot lichtgrijze tekeningen, helemaal zwart, grijs met donker gevlamd, zwart zadel en masker. Onopvallende, kleine witte borsttekening net als lichten binnenkanten zijn toegestaan, maar niet gewenst. Het puntje van de neus moet bij alle kleurvarianten zwart zijn. Het ontbreken van het masker, lichte tot stekende ogen zijn net als lichte tot witachtige tekening van de borst en binnenkanten, lichte nagels en rode staartpunt tekenen van een zwak pigment. De onderwol vertoont een lichte kleur grijs. De kleuren wit, zilver en blauw, zogenaamde blauwlingen zijn kleurfouten en daarom niet toegestaan.
|