Algemeen:DANSK SVENSK GARDSHUND
Land van herkomst: Denemarken/Zweden
Korte geschiedenis van het ras:Het ras komt al sinds oudsher voor op de boerderijen in Denemarken en Zuid-Zweden. Hij werd gebruikt als waakhond, als rattenvanger en als gezelschapshond. Hij is waakzaam en levendig. Het ras is in de tweede helft van de tachtig erkend door de Scandinavische Kennel Clubs, maar is nog niet officieel erkend door de FCI.
Rasbeschrijving:De Dansk-Svensk Gardshund is een kleine, compacte en enigszins rechthoekig gebouwde hond van het Pinschertype.
Hoofd: tamelijk klein, driehoekig, met een tamelijk brede en vlakke schedel en een rechte, korte voorsnuit. Uitgesproken stop, de voorsnuit is zichtbaar smaller, maar niet spits. De verhouding snuit schedel is 1:1. Krachtige kaken, rechte neusrug, zwarte neusspiegel bij honden met zwarte vlekken, anders harmonierend met de kleur van de vacht.
Ogen: donker of iets lichter, afhankelijk van de kleur van de vacht, middelgroot, rond of amandelvormig, levendige uitdrukking.
Oren: rozeoren of oren die zo ver naar voren gevouwen zijn dat ten minste de helft van het oor overhangt.
Gebit: schaargebit.
Hals: van middelmatige lengte, krachtig, met een licht gebogen netlijn.
Lichaam: licht rechthoekig (9:10). Diepe, gewelfde, ruime borstkas, korte lendenen, afgeronde croupe, licht opgetrokken buiklijn.
Ledematen: rechte, evenwijdige voorbenen, veerkrachtige voormiddenvoet, normaal gehoekte voorhand, goed gehoekte achterhand met evenwijdige, goed bespierde achterbenen.
Voeten: klein, ovaal, iets gesloten.
Staart: niet al te hoog aangezet. Een aangeboren stompstaart komt voor.
Gangwerk: levendig, vrij.
Vacht: hard, kort, glad
Kleur: wit moet domineren, met een- of meerkleurige vlekken in verschillende combinaties.
Schofthoogte: reu 34-37 cm, teef 32.35 cm.
|