Algemeen
IJSLANDSE HOND
Land van herkomst: IJsland
Korte geschiedenis van het ras
De IJslandse Hond of IJslandse Herdershond is het nationale ras van IJsland.
Men denkt dat hij afstamt van de honden dien in de negende eeuw met Noorse
immigranten meekwamen. In het type en het uiterlijk zijn ook trekken van
bijvoorbeeld de Buhund en de Lundehund te herkennen. Het ras is een hof- en
herdershond en wordt gebruikt voor het hoeden van schapen en koeien. In IJsland
zijn niet veel IJslandse honden meer, momenteel komen ze vooral buiten IJsland
voor, met name in de andere Scandinavische landen. Het is een robuuste en trouwe
hond met een levendig temperament.
Rasbeschrijving
De IJslandse Hond is een typische keeshond, enigszins rechthoekig. Hij is
levendig, wakker, nieuwsgierig en moedig. De glimlach is kenmerkend voor de
uitdrukking op het gezicht. Het herdersinstinct is goed ontwikkeld, maar het
jachtinstinct nauwelijks.
Hoofd: vrij breed tussen de oren, iets afgeronde schedel, duidelijke
stop, vlakke wangen. De snuit is vrij kort en loopt evenwijdig aan het
schedeldak. De snuit moet smal toelopen in een dwarse driehoek. Droge lippen,
met zwart pigment net zoals de neusspiegel. Bij chocoladebruine en lichtgele
honden mag het pigment op de lippen en de neusspiegel bruin zijn.
Ogen: middelgroot, amandelvormig, bij voorkeur donker, maar de kleur
mag harmonieren met de kleur van de vacht. Levendige, zelfverzekerde blik.
Oren: rechtopstaand, driehoekig, breed aan de basis en beweeglijk.
Gebit: schaargebit.
Hals: gematigd lang, krachtig. Het hoofd moet hoog gedragen worden.
Lichaam: rechthoekig, krachtig maar niet grof. Lange, diepe en brede
borstkas, korte en afgeronde croupe, licht opgetrokken buiklijn.
Ledematen: sterke botten zonder zwaar te zijn, rechte voorbenen, droge,
normale hoeking van de schouder en opperarm. Krachtige achterbenen, goed
bespierd, normale hoeking, dubbele Hubertusklauwen. Deze kunnen ook op de
voorbenen voorkomen.
Voeten: enigszins ovaal, licht gewelfde tenen, gesloten, met goed
ontwikkelde voetzolen.
Staart: hoog aangezet, gekruld en met rijkelijk vacht.
Gangwerk: soepel, snel, krachtig en met uithoudingsvermogen.
Vacht: er komen twee haarvarieteiten voor : een gematigd lange vacht (kort)
en een lange vacht, in beide gevallen met dichte, zachte onderharen en dekharen
korter resp. langer.
Kleur: alle kleuren zijn toegestaan, maar de basiskleur moet domineren.
Wit komt vaak voor als bles, kraag, op de borst, punt van de staart en de tenen.
Schofthoogte: reu 43-48 cm, teef 38-44 cm.
|