Algemeen
SHETLAND SHEEPDOG (SHELTIE)
Land van herkomst: Engeland
Korte geschiedenis van het ras
De Shetland Sheepdog stamt af van de keeshondachtige herdershonden die de
kolonisten van de Shetlandeilanden ooit meenamen. Deze honden kwamen uit
Scandinavie, hoofdzakelijk uit West-Noorwegen. Gedurende de tweede helft van de
vijftiende eeuw kwamen IJslandse vissers naar de eilanden en ook zij namen
keeshondachtige honden mee. De combinatie van deze rassen en Schotse
herdershonden deed in de loop van de tijd een speciaal ras ontstaan dat toonie
dog werd genoemd. In de loop van de tijd werden kleine exemplaren van de
langharige Collie ingekruist en hierdoor ontstond het ras dat we tegenwoordig
kennen als de Sheltie.
Rasbeschrijving
De Shetland Sheepdog is een kleine, zeer decoratieve herdershond.
Hoofd: edel, in de vorm van een stompe wig. Vlakke schedel, matig
breed en zonder duidelijke achterhoofdsknobbel, vlakke wangen, geronde
voorsnuit. Schedel en voorsnuit zijn even lang en evenwijdig, licht maar
duidelijke stop. Lippen, oogranden en neusspiegel zijn zwart.
Ogen: middelgroot, schuin geplaatst, amandelvormig, donkerbruin. Bij
blue merle zijn blauwe ogen toegestaan.
Oren: klein, matig breed bij de aanzet, tamelijk dicht bij elkaar
boven op de schedel geplaatst. Worden in rust achterovergelegd gedragen, bij
luisteren halfopgericht met naar voren vallende tip.
Gebit: schaargebit.
Hals: gespierd, goed gewelfd en trots opgericht.
Lichaam: rechthoekig, diepe borstkas, goed gewelfde ribben, rechte
rug, gewelfde lendenpartij, licht hellende croupe.
Ledematen: goede hoeking van schouder en opperarm, rechte, droge
en gespierde voorbenen, goede botten, verende voormiddenvoet. Brede, gespierde
dijen, goed gehoekte achterhand, laag aangezette sprongen. Evenwijdige
achterbenen.
Voeten: ovaal, met dikke voetzolen, goed gewelfde en gesloten tenen.
Staart: laag aangezet, moet tot aan de sprong reiken en goed behaard
zijn. Wordt in een lichte boog omhoog gericht gedragen. In beweging iets hoger,
maar nooit boven de ruglijn.
Gangwerk: vloeiend en ruim grond nemend, goede stuwkracht.
Vacht: dubbel, met recht, grof en lang dekhaar. Kort, zacht en dicht
onderhaar. Op hals en borst weelderige vacht, die kraag en manen vormt, rijke
bevedering op de voorbenen. Boven de sprongen dienen de acherbenen rijkelijk
behaard te zijn.
Kleur: sable, effen of met zwarte haarpunten in elke kleurnuance
tussen bleekgeel en donker mahonierood. Driekleurig, intens zwart op het
lichaam, warm tankleurige aftekening. Blue merle, helder zilverblauw en zwart
gemarmerd met zwarte vlekjes, warme tankleurige aftekening heeft de voorkeur.
Schofthoogte: ideale hoogte reu 37 cm, teef 35,5 cm.
|