Algemeen
HOLLANDSE HERDERSHOND
Land van herkomst: Nederland
Korte geschiedenis van het ras
De Hollandse Herdershond is een oud ras dat gebruikt werd voor het hoeden en
bewaken van het vee. In 1898 werd in Nederland een speciale club opgericht die
tot doel had het ras te bewaren en te ontwikkelen. Er zijn drie haarvarieteiten,
die als een ras worden beschouwd. Elke haarvarieteit krijgt wel kampioenschappen
op de tentoonstellingen. De hond komt sporadisch buiten Nederland voor.
Rasbeschrijving
De Hollandse Herdershond is middelgroot, krachtig gebouwd en levendig.
Hoofd: wigvormig, plat en droog, de voorsnuit iets langer dan de
schedel. Vlakke schedel, neusrug evenwijdig aan de schedel lopend. Zwarte
neusspiegel.
Ogen: middelgroot, amandelvormig, iets schuin geplaatsten donker.
Oren: vrij klein, hoog gedragen en in beweging naar voren gericht,
driehoekig.
Gebit: schaargebit.
Hals: vrij lang, krachtig en droog.
Lichaam: krachtig, diepe borstkas met goed gewelfde ribben. Korte rug,
vlak en sterk. Krachtige lendenpartij.
Ledematen: goede botten, rechte voorbenen met veerkrachtige polsen.
Goede hoeking van schouder en opperarm. Krachtige achterbenen, iets open hoeken,
goed bespierde dijbenen. Evenwijdige achterbenen zonder Hubertusklauwen.
Voeten: goed gesloten, met goed gewelfde tenen, krachtige voetzolen en
zwarte nagels.
Staart: recht naar beneden of enigszins omhoog gebogen, hangendei in
stilstand, hoger in beweging maar nooit boven de rug.
Gangwerk: vrij en ongedwongen.
Vacht: er komen drie haarvarieteiten voor. Korthaar: vrij hard, vlak,
niet te korte vacht met ondervacht, kraag en lager haar op de achterkant van de
benen en de staart. Langhaar: het lichaam wordt bedekt door een lange,
aanliggende, rechte, krachtige vacht met dichte en zachte ondervacht. Ruwhaar:
harde, ruwe en warrelige dekharen met een zachte ondervacht.
Kleur: kort- en langharige honden hebben een bruinebasiskleur die
goudgestroomd is (tijgemotief) of een grijze basiskleur die zilvergestroomd is.
Een zwart masker is gewenst. Ruwhaar: blauw-grijs, peper en zout, goud- of
zilvergestroomd.
Schofthoogte: reu 57-62 cm, teef 55-60 cm. De verhouding van de lengte
tot de schofthoogte is als 10:9.
|