Algemeen
DREVER
Land van herkomst: Zweden
Korte geschiedenis van het ras
De oorsprong van de Drever is de Westfaalse Dasbrak, die reeds rond 1910 succesvol werd gebruikt in de Zweedse provincie Skane. Een deel van de nakomelingen werden naar Denemarken geexporteerd, waar ze de basis werden voor de Deense Strellufstovare. De Drever en de Stellufstovare zijn in grote lijnen hetzelfde ras. In 1947 werd de naam Dasbrak veranderd in het meer Zweeds klinkende Drever en de hond kreeg zijn eigen club, de Zweedse Drever Club. In 1953 werd de Drever als zelfstandig ras erkend. De Drever is een buitengewoon capabele drijfhond. Hij drijft verhoudingsgewijs langzaam. Het is een van de populairste drijfhonden in Zweden. Buiten het land van herkomst is hij tamelijk zeldzaam.
Rasbeschrijving
De Drever is een betrekkelijk langgerekte en laaggestelde hond, rustig en alert.
Hoofd: tamelijk groot en langgerekt, licht aangeduide stop, licht gewelfde schedel. Goed ontwikkelde voorsnuit met krachtige kaken. Neusrug recht of licht gebogen, zwarte neusspiegel, droge lippen.
Ogen: donkerbruin, droog, vol uitdrukking.
Oren: middelmatig lang, breed en hangend, tamelijk laag aangezet waarbij de binnenzijden dicht tegen de wang aanliggen.
Gebit: schaargebit.
Hals: tamelijk lang en krachtig, droog
Lichaam: sterke en rechte rug, die licht helt van schoft naar croupe, het achterste gedeelte licht gewelfd. Krachtige lendenen, lange, licht hellende croupe. De borstkas is goed ontwikkeld, eivormig, lang en diep, met goed ontwikkelde achterste ribben. Licht opgetrokken buiklijn.
Ledematen: schouders liggen goed naar achteren, verhoudingsgewijs lange opperarm, rechte onderarm, krachtige botten, veerkrachtige voormiddenvoet. Evenwijdige achterbenen, goede hoeking van knie- en spronggewricht, gespierde en brede dijen, sterke sprongen. De achtermiddenvoet moet loodrecht op het grondvlak staan.
Voeten: vast, met goed gesloten tenen, sterke voetzolen. De voeten staan recht vooruit.
Staart: lang, wordt hangend of iets hoger gedragen, maar nooit over de rug.
Vacht: grof, dicht, vlak tegen de huid liggend en recht.
Kleur: alle kleuren in combinatie met witte aftekening. De witte aftekening moet zowel van de voor- als van de achter- en zijkant te zien zijn.
Gangwerk: evenwijdig, gelijkmatig en met wijd uitgrijpende passen.
Schofthoogte: ideale hoogte reu 35 cm, teef 33 cm.
|