Algemeen
OOSTENRIJKSE GLADHARIGE BRAK
Land van herkomst: Oostenrijk
Korte geschiedenis van het ras
De Oostenrijkse Gladharige Brak stamt af van de oude Keltische braktypen, gecombineerd met soortgelijke rassen uit Centraal-Europa, bijvoorbeeld de Belgische Sint Hubertushond en de Juralaufhund uit Zwitserland. Het ras werd reeds in 1884 erkend. Het is in de eerste plaats een jachthond, een blaffende drijfhond zowel als een stille spoorvolger, en hij is zeer populair bij de Oostenrijkse jagers. Hij is levendig, heeft een groot uithoudingsvermogen, is spoorzeker en heeft een fijne reukzin. Buiten zijn vaderland komt hij nauwelijks voor.
Rasbeschrijving
De Oostenrijkse Gladharige Brak is een middelgrote, licht gebouwde en sierlijke hond met een welluidende blaf.
Hoofd: langgerekt, smal, licht en droog. Gewelfd en iets naar achteren aflopende schedeldak, geringe stop. Smalle en vlakke neusrug, echter iets gewelfd naar de neusspiegel, die zwart is. De voorsnuit is niet al te grof. Droge lippen met een aanzet tot een lipplooi.
Ogen: groot, donker, tot kastanjebruin met droge oogranden.
Oren: vrij lang, breed, en nogal hoog aangezet, dun en fraai afgerond.
Gebit: schaargebit.
Hals: middelmatig lang, iets korter dan het hoofd, licht gewelfd en droog.
Lichaam: vrij langgerekt, met een uitgesproken schoft, rechte rug en vrij brede lendenen. Lange, ruime en zeer diepe borstkas met matig gewelfde ribben, geprononceerde voorborst, iets aflopend bekken.
Ledematen: vrij licht botten, goede hoekingen in voor- en achterhand. Goed bespierde benen en dijen.
Voeten: krachtig, met goed gesloten gewelfde tenen en veerkrachtige, sterke voetzolen.
Staart: vrij hoog aangezet, lang en dun. Wordt in actie vrij hoog gedragen.
Gangwerk: wijd uitgrijpend, vrij.
Vacht: glad- of ruwharig, dicht met dek- en onderhaar. Iets langer haar op de staart.
Kleur: zwarte, rode of roodgele grondkleur met witte aftekening, of driekleurig.
Schofthoogte: 40-48 cm.
|